top of page

De Vlaamse filmmakers zijn geen “elitair, woke clubje subsidievreters”

  • rafnjotea
  • 18 jun
  • 3 minuten om te lezen

Enkele weken geleden kreeg Coward, de nieuwe film van Lukas Dhont, in Cannes een warme ontvangst. Er was een award voor de twee hoofdrolspelers. De media zullen de release in de Vlaamse zalen dit najaar met argusogen volgen. De bezoekersaantallen van Vlaamse films in de bioscoop zijn immers niet meer wat ze geweest zijn, waardoor de Vlaamse filmsector onder vuur ligt. Met name het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF), dat veel films financieel ondersteunt, moet het daarbij ontgelden. Het fonds zou “miljoenen verkwanselen” en wordt door critici weggezet als een elitair, woke clubje dat steeds dezelfde namen bedient met subsidies in een “bodemloze put”.


Vorige week sprong Gilles Coulier, voorzitter van de Unie van Regisseurs, voor het VAF in de bres. Wie de bredere context in acht neemt, ziet dat in heel Europa de bezoekersaantallen dalen. Dat betekent niet dat mensen geen lokale fictie meer lusten. Zo keken vorig jaar meer dan 11 miljoen mensen naar Vlaamse films op televisie. Op Streamz was 83 procent van alle kijktijd Vlaams. De dalende bioscoopcijfers zijn een zorgwekkende evolutie, maar het aantal verkochte tickets is maar één manier om succes te meten. Vlaamse films en series worden geselecteerd voor gerenommeerde festivals en winnen internationale prijzen. En vooral: onze makers blijven zeer gegeerd in het buitenland. Punten die ik als covoorzitter van de Scenaristengilde ten volle onderschrijf.


Natuurlijk moeten filmmakers streven naar een zo groot mogelijk publiek. Ik heb weinig geduld met kunst die zich bewust afsluit van de brede samenleving en zich vervolgens beklaagt over een gebrek aan belangstelling. Wie geen publiek wil bereiken, mag dat experiment gerust met eigen middelen financieren. Dat is trouwens, in tegenstelling tot wat critici beweren, ook hoe het VAF er tegenaan kijkt.


Wie vandaag een dossier indient, moet niet alleen een artistiek plan voorleggen, maar ook een marketing- en promotieplan. Makers worden expliciet verplicht na te denken over hoe ze hun film of reeks tot bij een breed publiek denken te brengen. Dat lijkt me niet meer dan logisch als publiek geld wordt ingezet. Tegelijk is het logisch dat makers die met publiek geld werken, stilstaan bij diversiteit binnen en rond hun project. Daarom vraagt het VAF ook een inclusienota, iets waar critici al vaker op geschoten hebben.


Zo verwordt het VAF al te makkelijk tot doelwit in een inmiddels voorspelbare cultuurstrijd. Aan de ene kant staan zogezegd de “gewone Vlamingen”, aan de andere kant een culturele elite die zelfbevredigend al ons belastinggeld opsoupeert. Het is een frame dat al decennialang meegaat. Kunst wordt weggezet als elitair, wereldvreemd en onproductief, terwijl de economische en maatschappelijke waarde ervan systematisch wordt onderschat.


Onze taal weerspiegelt die ingebeelde tegenstelling. Waarom wordt steun aan sommige sectoren als een investering geframed, en aan andere sectoren als een subsidie? Waarom lijkt economische return vanzelfsprekend in de ene sector, maar onmogelijk in de andere?


In mijn frustratie daarover ben ik eens gaan googelen. Toen ik zocht op “Vlaamse regering investeert” stootte ik meteen op verschillende positieve artikels. “Vlaamse regering investeert 2 miljard extra in Vlaamse industrie.” Maar ook in onderzoek naar de link tussen milieuvervuiling en kanker “investeert” de regering, net als in een dienstencentrum voor ouderen in Anderlecht, in de vervanging van verouderde stemcomputers, zelfs in de restauratie van de beiaard in Tienen.


De zoekopdracht “Vlaamse regering subsidieert” linkt opvallend vaak door naar websites van politieke partijen. Zo hekelt Vlaams Belang dat de regering “links activisme” en “de verdere islamisering van Vlaanderen” blijft subsidiëren. Groen en de PVDA oordelen dan weer dat de regering “de klimaatcrisis” subsidieert door geld te geven aan olie- en energiebedrijven.


Zoals altijd verraadt de taal de overtuiging van de spreker. Ook in de kritiek op het VAF is dat duidelijk het geval. Het woord subsidie heeft niets neutraals meer. Het suggereert verspilling of foute maatschappelijke dogma’s. Terwijl een investering positieve beelden van rendement of vooruitgang oproept.


Het VAF kost elke Vlaming jaarlijks 1,40 euro, zo onderstreepte Gilles Coulier in zijn apologie. Voor dat bedrag ondersteunt het een volledige audiovisuele sector, creëert het mee werkgelegenheid voor duizenden freelancers en werknemers, genereert het belastinginkomsten en bouwt het aan een exportproduct dat Vlaanderen internationaal zichtbaar maakt. Bovendien werkt die ondersteuning als een vliegwiel: een relatief klein bedrag kan de start betekenen van een carrière die later een veelvoud oplevert. Dat is letterlijk wat een investering is.


Zo wonnen twee jonge filmmakers in 2011 een VAF Wildcard van 60.000 euro met hun afstudeerfilm Broeders. Met dat geld konden Adil El Arbi en Billal Fallah hun volgende project ontwikkelen; het was de eerste stap richting de financiering van hun debuutfilm Image. De rest is filmgeschiedenis.




 
 
 

Opmerkingen


©2024 by Raf Njotea

bottom of page