Zoeken
  • rafnjotea

Het AfricaMuseum — Shooting An Elephant

We kijken allemaal met een andere bril naar de wereld. Op een plek zo beladen als het AfricaMuseum komen de verschillen tussen de gekleurde en de witte bril erg nadrukkelijk tot uiting.


De directeur nam een snoepje. Een suikerhartje, terwijl er ook zure sleutels waren. Of ik geen kaartje had? Ik stond met Guido Gryseels in de coulissen van De Roma in Antwerpen. De man had net een stevig panelgesprek over dekolonisering doorstaan voor een volle, overwegend gekleurde zaal en vond kennelijk dat ik het als moderator niet slecht had gedaan. Mijn kaartje verdween in zijn binnenzak. Twee maanden later viel er een mail in mijn inbox met een uitnodiging voor de officiële opening van het nieuwe, gerenoveerde AfricaMuseum op 8 december. Mijn gegevens hadden het dus via de directeur tot in het adressenbestand van het museum geschopt, waarna ik officieel deel uitmaakte van “de Afrikaanse diaspora”. Hoera!


Doordat ik me de laatste jaren bewust wat actiever in gekleurde cirkels ben gaan begeven, was ik al een tijdje op de hoogte van de spanningen die er vanaf het begin van de renovatieperiode waren tussen het AfricaMuseum en (sommige gemeenschappen van) de Afrikaanse diaspora. Het museum zou die niet ten gronde betrokken hebben in het dekoloniseringsproces, maar louter als windowdressing hebben gebruikt. Het voor het overgrote deel witte renovatiecomité zou niet ver genoeg zijn durven gaan. En de hamvraag: in hoeverre kan er überhaupt sprake zijn van dekolonisering in een gebouw dat zelf misschien wel de meest expliciete veruitwendiging is van koloniaal propaganda? Het was dus niet zonder enige kritische bagage dat ik het vernieuwde museum binnenstapte, die achtste december.



Wat ik aantrof, was een prachtig, zij het niet weinig protserig, gebouw met een weliswaar gekuiste maar daarom niet gecensureerde collectie. Met veel plaats voor de stem van Afrikanen en mensen met Afrikaanse roots. Ik kreeg de indruk dat het museum met een kritische blik naar zichzelf en zijn geschiedenis kijkt, dat het context geeft waar context geboden is. Zelfs Guido Gryseels zelf, de directeur, rond wie in De Roma nog een vaag oud-koloniaal, paternalistisch aura leek te hangen, getuigde in zijn toespraak op de opening opvallend van voortschrijdend inzicht door in eenduidige bewoordingen het kolonialisme te veroordelen als een racistisch systeem gebaseerd op ongelijkheid en uitbuiting. Ja, die opgezette olifant staat er nog en ja, veruit de meeste Afrikanen hebben nog nooit in hun leven een olifant gezien. Exotisme, iemand? Maar zeg nu zelf: dat beest komt nu eenmaal voor in sub-Sahara Afrika, en bovendien is zo’n levensgrote gigant echt te cool om voor de rest van zijn dagen, onttrokken aan het publieke oog, in een of andere kelder stof te staan vergaren. En dus wordt hij nog steeds tentoongesteld, in de biodiversiteitszaal. De opening werd uiteindelijk feestelijk afgesloten, met een receptie met live muziek van een Congolese band. Indépendence Cha Cha!


Enkele dagen later las ik in De Morgen de opinie van journaliste Sabrine Ingabire over het nieuwe museum. Daarin stelde ze een disconnect te hebben gevoeld terwijl ze door het museum liep, een ongemakkelijkheid die bij veel andere bezoekers leek te ontbreken. Die wandelden vrolijk rond en praatten over Afrika, terwijl zij net droevig werd bij de gedachte aan de onmenselijke koloniale praktijken en de nog steeds doorwerkende gevolgen daarvan. Op dat moment, zo schreef ze, besefte Sabrine plots: "de doelgroep van dit museum zijn zij. Niet meer oude kolonialen, want daarvoor is er te veel verwijderd, en niet mensen met Congolese, Rwandese en Burundese roots, want daarvoor is er te weinig effectief veranderd. Het is er voor witte gezinnen die op zaterdagnamiddag iets over Afrika willen leren. Niet voor ons."


Damn, dacht ik, misschien heeft ze wel een punt. Zo goed als alle witte mensen wandelden inderdaad vrolijk rond, kennelijk zonder het gewicht van de geschiedenis, zonder de gruwelen van het koloniale verleden hun fijne museumbezoek te laten overschaduwen. Alleen: ik was een van die witte mensen.


--


Ik ben opgegroeid in een Kempisch dorpje, in een gezin van vijf met een Vlaamse moeder en een Nigeriaanse vader. Mijn broers en ik hebben een fantastische jeugd gehad. Zeker, we zijn regelmatig uitgescholden, vaak zelfs, vaker alleszins dan we zouden kunnen hebben bijhouden. (Jeugdvoetbal in de Kempen, am I right?) Maar desondanks waren we populair. Nooit hebben we – zoals je weleens hoort bij mensen met andere roots, maar wat ik tegen wil en dank altijd een beetje pathetisch heb vinden klinken – voor de spiegel gestaan en gewenst dat we blank waren. Misschien, bedenk ik me nu soms, omdat we ook blank zijn.


Niet echt natuurlijk. Want we zijn bruin. Gekleurd. Of zo zien we er toch uit. Maar in hoe we opgevoed zijn, in welke waarden en gewoontes en tradities we meegekregen hebben, in de “culturele invloedssfeer” waarin we opgegroeid zijn, zit er amper iets gekleurds in ons. In theorie zijn we dus even blank als zwart, maar in de praktijk niet. Of omgekeerd.


Veel dekoloniseringsdenkers doelen niet per se op huidskleur wanneer ze het over zwart of wit hebben. De befaamde “witte bril” wordt zeker niet uitsluitend door blanke mensen gedragen. Dat is wellicht waarom ik de jongedames die ongevraagd aan mijn afro komen, de bejaarde die opmerkt dat ik “niet van hier ben hé”, niet meteen ervaar als neokoloniale microagressors. Hoogstens als licht sociaal onaangepaste medeburgers die veel te weinig met diversiteit in aanraking zijn gekomen. Maar natuurlijk is de ervaring van iemand die in een heel ander kader is opgegroeid daarin volledig anders. Als op jouw opvoeding wel een serieuze “Afrikaanse stempel” gedrukt is, bekijk je dat soort interacties vanuit een ander perspectief. Dan kan de zoveelste blanke die ervan uitgaat dat je geen Nederlands spreekt wel degelijk een affront zijn dat dieper snijdt dan het oppervlakkige niveau van het louter persoonlijke. Dan neem je misschien de geschiedenis meer mee, de culturele ongelijkheid die er al jaren, al eeuwen is tussen wit en zwart, tussen de blanke en de neger. Daardoor is het als blanke of als haast volledig in een blank kader opgegroeide bruine bijna per definitie onmogelijk om de zwarte bril op te zetten, om met een zwarte blik naar de werkelijkheid te kijken. Dat geldt omgekeerd natuurlijk even goed, al zal niemand ontkennen dat de situatie in de ene richting meer precair is dan in de andere.


Het is niet verwonderlijk dat die verschillende brillen op een plek zo beladen als het AfricaMuseum erg nadrukkelijk tot uiting komen. Een bril met witte glazen neutraliseert misschien in meer of mindere mate de koloniale schakeringen van primitieve maskers, van het feit dat die primitieve maskers in een Europees museum hangen, dat die primitieve maskers in het Westen lang überhaupt primitieve maskers genoemd werden. Een bril met zwarte glazen benadrukt dan misschien weer te veel de koloniale schaduwen die vallen over een opgezette olifant in een biodiversiteitszaal, of over een gebouw dat ontegensprekelijk een weinig koosjer koloniaal verleden meedraagt maar net daardoor misschien veel zegt over dat weinig koosjere koloniale verleden.


Dat die twee visies op het museum, op de wereld, sterk van elkaar kunnen verschillen, hoeft geen probleem te zijn. Het bemoeilijkt de dialoog, dat zeker, want mensen met een andere bril ervaren de wereld op een (soms radicaal) andere manier. Maar die bril afzetten is onmogelijk, en bovendien onwenselijk. Dat zou betekenen een stuk van onze identiteit amputeren, en daar schiet niemand iets mee op. Neen, het is zaak ons zo bewust mogelijk te zijn van de bril die we dragen. Enkel zo zullen we echt kunnen dekoloniseren. En dan zullen we inzien dat er ook gekleurde mensen zijn die op zaterdagnamiddag iets over Afrika willen leren in het AfricaMuseum. En dat er, oké, misschien niet per se een opgezette olifant moet staan.


Raf Njotea

Foto © Régine Debatty

181 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven

Golven

Hyped

©2019 by Raf Njotea