Zoeken
  • rafnjotea

Moet alles altijd gezegd worden?

Bijgewerkt op: 12 mei

Opschudding onlangs onder enkele van mijn vrienden,­ ­nadat een van hen aan de alarmbel had getrokken. Hij voelde zich al een tijd niet meer gewaardeerd in de vriendengroep. Meer nog: hij voelde zich gepest. En als dat nog te lang zou aanhouden, zag hij geen andere optie dan uit de groep te stappen. Het was dat woord, ‘gepest’, dat hard binnenkwam. Dat zoiets überhaupt kon, verbaasde me. Het ging hier over mensen die al jaren, sommigen al ­decennia bevriend waren en bij wie ­lachen met elkaar en steken onder ­water geven gold als een teken van liefde in plaats van kwaad. Blijkbaar was er toch iets gekanteld.


Sociologen weten al langer dat groepsdynamiek een bijzonder complex gegeven is. Bij het woord pesten denkt iedereen spontaan aan grijnzende bullebakken op school die klasgenootjes het ­leven zuur maken om hun eigen ­populariteit op te vijzelen. Maar zo simpel is het niet – zeker in het volwassen leven waar groepsdynamiek toch iets minder scherp tot uiting komt dan op de speelplaats. Dat is ook waarom de groep zo schrok van dat woord, toen er aan die alarmbel werd getrokken. Blijkbaar ­komen dingen die zonder negatieve intenties worden gezegd, soms toch negatief binnen. En als dingen te vaak negatief binnenkomen, als wat jij doet sneller genegeerd of geridiculiseerd wordt, als jouw woorden minder teweeg­brengen dan die van de rest, als jij vaker het mikpunt bent van spot, dan gaat dat na verloop van tijd aan je zelfbeeld ­vreten. Hoe onschuldig het allemaal ook bedoeld is, het kan kwetsen.


Dat inzicht, dat iets kwetsend kan zijn zonder dat het zo bedoeld is, is er een dat sinds kort lijkt ingedaald in de vriendengroep. En niet alleen daar. Ook in het maatschappelijk debat is het daar de afgelopen jaren al vaker over ­gegaan, met name als het over taal en discriminatie gaat. Dan wordt er opgeroepen om bepaalde woorden te mijden of handelingen niet te stellen omdat ze ‘kwetsend’ kunnen zijn.


Daar ­begint de moeilijkheid. Want wat nu? Is ‘het kwetst’ een terecht argument om iets in de ban te doen? Of is het een al te makkelijke dooddoener in een complexe discussie? Ik worstel er zelf ook mee. Zijn we overgevoelig ­geworden? Is het een veruitwendiging van de zogenoemde slachtoffercultuur van vandaag, waarin iedereen lange ­tenen heeft en er niks meer gezegd mag worden? Want dat is altijd het ultieme tegenargument, de dooddoener van de andere kant: dat er niks meer gezegd mag worden.


Ook in de vriendengroep klonk die frustratie. Er wordt met iedereen gelachen, en het is altijd met liefde bedoeld, wat misschien betekent dat je echt deel uitmaakt van de groep, toch? Daar valt iets voor te zeggen, maar tegelijk viel het me op dat die frustratie vooral bij de dominantere, meer uitgesproken karakters van de groep zat. En ik bedacht me: vanuit zo’n positie, als je zelf zelden het mikpunt bent van spot, is het makkelijk om die argumentatie te voeren.


Bovendien klopt die frustratie niet. Het is helemaal niet zo dat er niks meer gezegd mag worden. Integendeel: alles mag nog gezegd worden. De vraag is eerder: moet alles altijd gezegd worden? Hoe ik die frustratie interpreteer, is vooral dat mensen die vroeger niet aangesproken werden op hun woorden of gedrag, dat nu wel worden. Dat ze nog altijd mogen zeggen wat ze willen, maar dat er nu verwacht wordt dat ze daarbij meer rekening houden met de gevoelens van anderen. Iets wat ze niet gewend zijn. Een van mijn vrienden gaf dat ook toe: dat hij onder vrienden zichzelf wil kunnen zijn en dat het voor hem afbreuk zou doen aan de vriendschap als hij zich te hard zou moeten aanpassen. Wat ook niet onbegrijpelijk is. Maar als je niet wilt dat iemand de groep verlaat, kun je niet anders dan tot op zekere hoogte ­rekening houden met diens grieven.


Ook daarin valt een parallel te trekken met de maatschappelijke verhoudingen. Dat in het verleden de dominantere meerderheden zelden bewust bezig moesten zijn met welke impact hun woorden of gedragingen hadden op minderheden. Dat dat veranderd is. Omdat minderheden, die mondiger ­geworden zijn en hun plek opeisen, zich geviseerd voelen en aan de alarmbel trekken. We moeten onszelf niet volledig voor hen wegcijferen. Maar als we ons helemaal niet willen aanpassen, dan houden ze het niet vol. Dan worden ze weggepest. En dat kan niet de ­samenleving zijn die we willen.


Verschenen in De Standaard op 21 april 2022



5 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven